Pazugoo
Andy Weir
Locatie:   Mol, Boeretang
Opdrachtgever:   Stadsontwikkelingsbedrijf Gent (AG SOB, vandaag: Sogent)
Gerealiseerd in 2012
Pazugoo (and Nuclear Waste as Alienating Future Relic) names a constellation of objects, which are proposed as future markers for deep geological repository sites of long-term nuclear waste storage. The work takes its name from Pazuzu, the Babylonian-Assyrian demon of dust and contagion, combined with the ‘gooey’ reformulationof museum objects that form its composite body. The building of Pazugoos takes place through a range of artist-led processes and collaborative workshops, where freely available online digital 3D object files of scanned museum figures are edited according to the specific Pazuzu morphology - a figure with an excess of wings, with one hand raised upward.

The resulting hybrid objects, inhabiting museum and gallery exhibitions, act as an index for the burial project, where models are proposed to mark underground perimeters of low-level radioactive waste disposal sites, connecting them to other sites of toxicity and the currents of deep time.

Pazugoo is de naam van een verzameling van 3D-geprinte demonen, die fungeren als ‘markers’ voor de diepe geologische opslagsites voor radioactief afval. Het werk ontleent die naam aan Pazuzu, de babylonisch-assyrische demon van het stof en de besmetting, en aan het Engelse ‘gooey’ (‘kleverig’), wat verwijst naar de hedendaagse fabricagewijze van de beeldjes. Het maken van de Pazugoos gebeurt via een reeks van processen en collectieve workshops geleid door de kunstenaar. Tijdens de workshops worden bestaande figuren - meer bepaald: vrij verkrijgbare 3D-files op basis van gescande beeldjes - bewerkt tot ze voldoen aan de specifieke Pazuzumorfologie (een figuur met veel vleugels, met één hand in de lucht). Op die manier kan Pazugoo telkens een lokaal kantje krijgen, door bijvoorbeeld te vertrekken van plaatselijke heiligen, martelaars of folklorefiguren.

De resulterende hybride objecten, die nu musea en galerijen gaan bewonen, werken als indices voor een ondergronds deel van het project. Dat laatste betrekt heel concreet de ondergrondse opslagzones; er worden daar daadwerkelijk beeldjes begraven.

In tegenstelling tot andere voorstellen die opslagsites voor radioactief afval ‘aanduiden’, benadrukken de in de ondergrond geplaatste objecten de materialiteit van het afval, als deel van een ‘ecologie van de toxiciteit’.

Het werk gebruikt dus fictie als een methode om geschiedenis en de verre toekomst (‘deep time’) met elkaar te verbinden.